Boekpresentatie ‘Leven in twee werelden’

Wat een fratsen!
4 juni 2019
Winactie
18 juni 2019

Voor een leuke schrijfwedstrijd, ben ik altijd in! Dus toen ik op de wedstrijd van Huizer Schrijversgilde stuitte, begon het bovenin direct te malen: een kort verhaal in het ‘feelgood-genre’. Uiteindelijk heb ik mijn verhaal ‘De Ware Jacob’ ingestuurd en na twee rondes kreeg ik te horen dat mijn verhaal op de shortlist stond, samen met nog vier andere verhalen. Onze verhalen werden, met de verhalen van leden van het Schrijversgilde, uitgegeven door Uitgeverij Lieve Hart in de Voorleesverhalenbundel ‘Leven in twee wereld en andere verrassende verhalen’.

Afgelopen zaterdag was de boekpresentatie van de bundel in de bibliotheek van Huizen. En dat was leuk! Ik heb enorm genoten van een heerlijke lunch, van de leuke ontmoetingen, de voorleesverhalen van de andere schrijvers en van het feit dat ook ik een stukje van ‘De Ware Jacob’ mocht voorlezen*.
Tevens werd ik en de andere winnaars verrast met een prachtige goodybag en met de bundel natuurlijk! Kortom: een erg geslaagde middag.

Meer info over de bundel en eventueel bestellen van een exemplaar, klik hier

 

 

*Gedeelte uit ‘De Ware Jacob’:

Een groepje meeuwen zweeft rakelings langs mijn hoofd, op zoek naar alles wat maar eetbaar is, vaak achteloos door mensen achtergelaten. Stiekem heb ik schik in deze brutale dieven. Wat zijn ze groot van dichtbij. Ik voel de neiging om mijn boterham plat op mijn hand te leggen, zelf krijg ik toch geen hap door mijn keel. Maar ik bedwing me en stop het blikje met de boterham in mijn handtas terug. Je zult net zien dat ze als dank een ‘souvenirtje’ achterlaten op mijn schouder of nog erger… En dat is wel het laatste dat ik kan gebruiken vandaag.
Diep snuif ik de zilte zeelucht op, in een poging de vlinders in mijn maagstreek tot bedaren te brengen. Die hebben er echter lak aan en lijken alleen maar heviger te gaan fladderen zodra ik ‘land in zicht’ bespeur.

Na een klein kwartiertje legt de veerboot kalm aan.

Mijn auto heb ik noodgedwongen aan de overkant laten staan. Autoverkeer is op dit kleine eiland namelijk niet toegestaan. Samen met de andere drie passagiers loop ik dus de kade op en kijk een poosje besluiteloos rond. Hoe moet ik in vredesnaam op mijn plaats van bestemming komen? Er is alleen een snackbar en een fietsverhuurbedrijfje. Er is geen taxi te bekennen, ook die zijn uit den boze natuurlijk.
Ik vraag me af waar ik in beland ben en hoe ik het ooit in mijn hoofd heb kunnen halen om dit avontuur aan te gaan.
De drie dames van de boot gaan recht op hun doel af. Ze huren een fiets en gaan er welgemoed vandoor. Spijtig kijk ik van hun lichtgewicht rugzak naar mijn loodzware koffer.

Er zit niets anders op dan gebruik te maken van de benenwagen. Kordaat neem ik het enige enigszins begaanbare pad. De koffer hobbelt als een jong, speels hondje, achter me aan. De zon schijnt genadeloos op mijn kruin. Het lijkt wel of ik de woestijn moet bedwingen: Overal ligt zand, er is geen kip te bekennen, ik heb hevige dorst en mijn voeten steken. Er ontstaan daar waarschijnlijk een paar lelijke blaren. Ze zijn erg leuk om mee te flaneren op een boulevard, mijn sandaaltjes, maar totaal ongeschikt om door deze woestijn te banjeren.
Al gauw schop ik ze uit en prop ze in mijn toch al overvolle koffer waar ik nauwgezet al mijn kleding voor een week had ingevouwen. Mijn zorgvuldig geföhnde haar bind ik in een onflateuze, piekerige paardenstaart met het elastiekje dat nog om het boterhamblikje zat.
Het zweet druipt van mijn voorhoofd, langs mijn ogen en wangen om het zich te mengen met het nat van mijn tranen, vergoten uit pure frustratie. Ik veeg al het vocht lukraak weg. Van de zorgvuldig aangebrachte make-up is nu vast alleen nog een spoor te bekennen, bedenk ik me te laat. Een vies, zwart spoor …
Maar opgeven? Dat nooit! Ik ben nu eenmaal dit avontuur aangegaan en ik zal het afmaken ook, zo verman ik mezelf en zet er dan flink de pas weer in met de koffer als mijn enige gezelschap.

Eindelijk ontwaar ik een groot gebouw. Nog een paar minuten flink doorstappen en ik sta voor de ingang. Het ziet eruit als een hotel. Met opgeheven hoofd loop ik het terras op en confisqueer het eerste het beste tafeltje dat vrij is. Opgelucht laat ik me zakken op een rieten stoeltje en drink gretig van een glas water, dat al klaar staat op tafel. Het verbaast me niet eens dat de drie dames ook op het terras zitten. Hun fietsen staan tegen het hek. Ze zien er nog steeds fit, fris en stralend uit, terwijl ik dankzij de woestijnbeproeving veranderd ben in een uitgeput, plakkerig en bezweet wezen.

Uit mijn koffer diep ik de fles op, die ik vorige week langs de vloedlijn van het strand raapte. Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik op de fles stuitte. Nog mooier werd het, toen ik de brief in de fles ontdekte. Een brief die mijn wereld op de kop zette en die mij hier op het eiland bracht. Zo romantisch…
Wederom haal ik de brief uit de fles, bekijk de foto en lees nogmaals de boodschap van ene Jacob:

Lieve zeemeermin,

(Meer lezen? Koop de bundel ;))

Vind je dit leuk... deel dit
Share on Facebook
Facebook
0Pin on Pinterest
Pinterest
0Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.