Toen de lente kwam

Lieve Lente …
5 april 2020
Gewoon gewoon
17 april 2020

De hobbelige zandweg heeft plaatsgemaakt voor een keurig met rode klinkers bestrate laan, geflankeerd door statige bomen. De zon komt af en toe achter de wolken tevoorschijn en geeft de laatste bladeren aan de takken een warme gloed. Zo’n kleine zeventien jaar na de oorlog zijn hier alle sporen van de ravage en vernielingen gewist en inmiddels hebben een aantal oude boerderijen en een paar stukken weiland plaats moeten maken voor een modern dorp met maar liefst twee lagere scholen, een bakker, een slager en zelfs een postkantoor. Schoolkinderen lopen, stoeiend en gooiend met handenvol bladeren, voorbij, blij dat de bel is gegaan. Ik glimlach automatisch, mijn gedachten mijlenver weg. Zoals altijd als ik uit het keukenraam staar, denk ik aan de tijd dat mijn moeder hier stond …

Het hele dorp was uitgelopen, die dag in mei van het jaar 1945. De stemming was vrolijk, uitgelaten. Mensen joelden, zongen, dansten en zwaaiden. Ook mijn moeder en ik stonden langs de kant van de weg toen de geallieerden door de straten van ons dorp trokken. Met de kou werd eindelijk ook de vijand verdreven. Zo luidde de lente van 1945 niet alleen nieuw leven in, maar tevens een nieuw begin. Na vijf eindeloze jaren van onderdrukking, was de bevrijding van ons land nu een feit. Voor het eerst sinds lange tijd zag ik lichtjes in moeders ogen. De lach om haar mond was echt. De opluchting en opwinding op haar gezicht trokken voor even haar zorgenrimpels strak.

Wat een flinke vrouw was ze toch, mijn moeder. Al heel lang stond ze er alleen voor. Het was een moeilijke tijd voor een weduwe met twee jonge kinderen en al zei ze er bijna nooit iets over, er was weinig voorstellingsvermogen voor nodig om te begrijpen hoe het voor haar geweest moest zijn om haar man te verliezen en dan ook nog in de crisisjaren. Mijn broer Willem kon zich vader nog wel een beetje herinneren, maar ik niet. Ik kon hem alleen van de foto op het dressoir en van de verhalen die mijn moeder mij over hem vertelde. Sinds hij er niet meer was, was Willem de man in huis, zoals moeder vaak opmerkte. Hij groeide zichtbaar door die opmerking en dan deed hij nog beter zijn best om voor ons te zorgen. Ook tijdens die lange oorlogsjaren, die volgden op de crisis. Eerst merkten we nog niet veel van de oorlog, maar langzamerhand veranderde alles. Hoewel ik nog jong was, voelde ik hoe de haat tegen de bezetter toenam en ook hoe de angst de mensen in hun greep hield. Willems ogen vlamden vaak fel op als hij het over die ‘moffen’ had. Steeds vaker was hij ’s avonds weg. Waar hij naar toe ging en wat hij deed, wisten we niet. En dat was maar beter ook, zei moeder altijd en dan keek ze zo ongerust …
Totdat daar die onheilsdag kwam in oktober 1944. Bij een razzia in het dorp werd Willem opgepakt en samen met nog meer mannen uit het dorp weggevoerd. Niemand wist waar naar toe en wat er met hen ging gebeuren. Moeder leefde tussen hoop en vrees. Elke dag had ze, als ze maar even tijd had, voor het raam op de uitkijk gestaan. Had ze gewacht op bericht. Maar altijd tevergeefs. Het had haar haar grijs gekleurd en rimpels in haar gezicht gegroefd.
De maanden die volgden op zijn verdwijning waren loodzwaar. Niet alleen door de zorgen om hem, maar ook door de strenge winter van 1944. Terwijl het Zuiden van Nederland al bevrijd was, wachtte ons in het Westen nog een ijskoude winter. Tot overmaat van ramp kon het Westen door de spoorwegstaking niet bevoorraad worden met voedsel en kolen. We konden ter nauwernood ons hoofd boven water houden, slechts het minimale was te halen op de bon. De winkels bleven nagenoeg leeg en de boerderijen in de omgeving werden overspoeld door mensen die letterlijk alle waardevolle spullen die ze maar bezaten wilden ruilen voor een aardappel of wat vlees. Er stierven in die winter nog eens duizenden mensen door de honger.
Moeder had ervoor gezorgd dat ik niets te kort kwam ondanks de schaarste. De warmste trui, een extra broodkorstje, het laatste schepje … altijd was het voor mij. Creatief als ze was probeerde ze zelfs tulpenbollen en suikerbieten enigszins eetbaar te maken. Hoe ze ook haar best deed, het smaakte nergens naar. Zelf at zij dagen achterelkaar bijna niets en ’s nachts viel ze huilend in slaap. Ik hoorde haar gesmoorde snikken, hoe zij haar gebed prevelde, dwars door het dunne wandje, dat onze kamers scheidden, heen.

Dankzij moeders goede zorg zag ik er – zelfs na vijf jaren oorlog – met mijn zeventien jaren uit als Hollands welvaren. Mijn blonde haren glansden en graatmager, zoals zoveel anderen, was ik niet. Ik zag best hoe de Canadese soldaten naar me lachten en me wat extra’s toewierpen. Opgewonden stootte moeder me aan, zichtbaar genietend van de aandacht die ze mij schonken.
Ik daarentegen genoot er niet van. Ik kon alleen maar aan Frits denken. Eerlijk gezegd maakte ik me meer zorgen om hem dan om Willem en dat terwijl ik hem slechts een paar keer had ontmoet. Het was maar pril en onschuldig, onze ontluikende liefde, maar wat had het goed gevoeld. Wat was hij knap, lief en attent. Met zijn vriendelijke gezicht, zijn lieve blauwe ogen en zachte stem, leek hij in niets op de wrede Duitsers die ik hier ook wel had gezien. Zijn lippen waren zacht en teder, die ene keer dat hij mij gekust had, achter het schuurtje van de oude boerderij …
Maar nu was hij weg, van de aardbodem verdwenen, leek hij. Natuurlijk had hij, net als de rest van het Duitse leger, de benen genomen, dat begreep ik wel. We hadden geen afscheid kunnen nemen, elkaar niet eens meer kunnen spreken. Ik zou hem nooit meer kunnen bereiken, want ik wist niet eens waar hij precies woonde. Zelfs zijn achternaam wist ik niet.
Ik voelde me leeg en verdrietig, wanhopig bijna, maar ik kon niet huilen, want niemand mocht iets van mijn verdriet merken. Zelfs moeder, die ik altijd alles had verteld, had ik niets gezegd over Frits. Of eigenlijk juist tegen moeder kon ik niets zeggen. Daarom was het misschien ook maar beter dat het zo was gelopen, zei mijn verstand. Maar mijn hart sprak een andere taal.

Na de bevrijding, de feesten, het enthousiasme van de bevolking, moest het gewone leven weer worden opgepakt. Er was zoveel kapot en er waren zoveel mensen gedood. Sommigen zouden zelfs nooit een graf krijgen. Het grote puinruimen moest beginnen. De opbouw van het land, maar ook het verwerken van een kleiner of groter trauma. Bijna iedereen had wel iets gruwelijks meegemaakt. Alleen al in ons kleine dorp … de buurman die zonder pardon was gefusilleerd en het Joodse echtpaar, van even verderop, niets was er meer van hen vernomen. Ook onze deur was het leed niet gepasseerd. Willem was nog steeds niet thuis en het was maar de vraag of hij ooit nog zal terugkeren. En dan was daar ook dat vreselijke wat mij was overkomen, een paar dagen na de bevrijding. De beschuldiging, de vernedering. Een moffenmeid werd ik genoemd. Het had vast te maken met Frits, maar hoe men ervan had geweten, is me nog steeds een groot raadsel. De kortstondige sporen van wraak die men – voor even zichtbaar – op mij had achtergelaten, vielen in het niet bij de littekens die daardoor voor altijd in mijn hart gekerfd waren.

Het was een paar weken na de bevrijding toen het nieuws als een lopend vuurtje door het dorp ging: De mannen die weggevoerd waren, zouden in een kamp in Duitsland tewerk zijn gesteld. Het zou niet lang meer duren voordat ze terug zouden komen. Tenminste, degene die het overleefd hadden, want de omstandigheden in het kamp schenen erbarmelijk te zijn geweest. Eerst twijfelden we nog aan het nieuws. Er deden zoveel geruchten de ronde en elke keer liep het op een teleurstelling uit. Maar dit gerucht was hardnekkig; in naburige dorpen bleken zelfs al mannen te zijn teruggekeerd uit het kamp.

En weer stond moeder voor het raam. Haar gezicht zorgelijk. Elk vrij moment, turend in de verte. Ach moeder, nooit had ze mij iets verweten, nooit was ze boos geweest. Was ze dat maar … waren er maar harde woorden gevallen, rake straffen uitgedeeld. Veel erger was het te zien hoe ze stilletjes leed. Nooit heb ik haar meer zien lachen, zoals bij de bevrijding en de lichtjes in haar ogen leken voorgoed gedoofd.
Uren, dagen verstreken. Na vier dagen was Willem nog niet thuis. We hadden de hoop al bijna opgegeven. Tot die bewuste dag. De dag waarop moeder noodgedwongen haar post moest verlaten, omdat haar zuster op sterven lag. Ongevraagd had ik haar plekje bij het raam ingenomen. Alles wilde ik wel voor haar doen. En toen… aan het eind van de middag, zag ik hem aankomen. Willem! Hij was sterk vermagerd, maar ik herkende hem direct. Niemand liep zo vastberaden als hij. Ja, hij was het echt! Ik vloog het huis uit en holde hem over het zandpad tegemoet. Toen Willem mij in het vizier kreeg, begon hij ook te rennen. Toen we vlak bij elkaar waren, zag ik hoe zijn brede grijns plaatsmaakte voor een blik vol minachting. Hij spuugde voor mijn voeten. Beschaamd boog ik mijn hoofd. Mijn nog steeds kale hoofd, dat alles zo pijnlijk blootlegde.

Die lentedag stierf er iets in mij. Slechts één keer heb ik hem daarna gezien. Op afstand. Bij de begrafenis van moeder. Nu sta ik elke dag op haar post. Kijk ik uit het raam en tuur de rode laan af. Ik wacht nog steeds op hem, tegen beter weten in en zie de jaargetijden gaan en komen. Zou het ooit weer lente worden?

Vind je dit leuk... deel dit
Share on Facebook
Facebook
0Pin on Pinterest
Pinterest
0Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

2 Comments

  1. Ineke schreef:

    Adembenemend heb ik dit gelezen, wat een mooi verhaal. Vooral omdat jij het helemaal niet meegemaakt hebt Irma. Fantastisch hoe je dit verhaal hebt geschreven, ben echt onder de indruk!!

  2. Irma schreef:

    Wat een mooie reactie, Ineke! Heel hartelijk dank!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *