Verborgen Thuis

Excuses aan Rusland
10 oktober 2013
Knuffeltherapie
17 oktober 2013

Mijn verhaal voor de verhalenwedstrijd ‘Het Oude Huis’, heeft niet gewonnen. Een voordeel is wel dat ik het dus nu op mijn site mag plaatsen.
Opdracht: Verzin een verhaal waarin dit huis (zie foto) een prominente rol speelt…

 

Verborgen Thuis

1978 – Elke dag liep ik er samen met mijn broer langs als we naar school gingen. Het oude huis. Het zag er geheimzinnig uit zoals het daar verwilderd en verwaarloosd stond aan de rand van het kleine bos. Alsof het was omarmd door de bomen en het gebukt ging onder de last van de takken. Er was al in geen jaren onderhoud aan gepleegd. Niemand wist precies hoe dat kwam en niemand scheen de bewoonster te kennen. Je zag haar maar zeer sporadisch buiten in haar tuin en al bijna helemaal niet in het dorp; al haar boodschappen liet ze bezorgen en op de een of andere manier wist ze allerlei andere reden voor een bezoek te omzeilen.
Onbewust gingen we een stapje harder lopen als we het huis passeerden. Er was geen andere weg naar school dan langs haar huis. Mijn broer was een pestkop en speldde mij allerlei angstaanjagende verhalen over het huis en de bewoonster op de mouw. Hij beweerde dat er een heks woonde. Zolang je maar zachtjes langs haar woning liep, gebeurde er niets. Maar o wee, als je herrie maakte. Dan zou ze zeker uit haar huis komen om je bij je lurven te grijpen en je te bakken in haar koekenpan. Ik geloofde zijn verhalen heilig. Soms liep hij me vooruit, begon te schreeuwen voor het huis en rende dan snel verder. Op veilige afstand stond hij me uit te lachen. Aan de grond genageld bleef ik minstens tien minuten staan. Pas als ik dacht dat de kust weer veilig was, liep ik rillend van angst het huis voorbij.

1982 – Zo gingen jaren voorbij. Mijn broer ging naar een andere school en ik zat in de laatste klas van de lagere school. Elke dag liep ik nu alleen langs het huis. Nu ik twaalf jaar was, begreep ik best dat er geen heks woonde. Ik merkte dat ik steeds nieuwsgieriger werd en stiekem gluurde ik naar het huis. Hoe vaker ik dat deed, hoe minder luguber ik het vond. Als ik goed keek, vond ik zelfs dat het menselijke eigenschappen vertoonde.
In de herfst als de takken van de bomen rond het huis hun bladeren lieten vallen, had ik met haar te doen. Ze zag er verdrietig uit, alsof ze treurde om haar versleten kledij. In de winter stond ze naakt en kleumend tegen de bosrand. Maar als er sneeuw was gevallen die haar naaktheid bedekte met een wollen deken, straalde ze een tere sereniteit uit. In het voorjaar koesterde het huis zich in het zonlicht. De takken van de bomen in bloei, gaven haar iets van hoop. Het zachte groen reflecteerde het hout van het huis en gaven het een warme, vriendelijke uitstraling, alsof ze glimlachte. ’s Zomers zag ik haar tevreden wegdutten in de koele schaduw van de bladeren aan de takken. Zo leerde ik langzaam maar zeker het huis te waarderen, ja zelfs van haar te houden. Dolgraag wilde ik meer van het huis en de bewoonster weten.
Maar van die bewoonster kreeg ik geen hoogte. Heel soms zag ik een schim bewegen voor het raam, maar meestal stond het huis er eenzaam en verlaten bij.

Tot op die dag in november. Ik liep van school naar huis. Veel aandacht had ik deze keer niet voor het oude huis aan de bosrand. Ik wilde zo snel mogelijk thuis zijn om moeder het prachtige resultaat te laten zien van mijn werkstuk. Wat zou mama blij zijn, we hadden er samen avond aan avond aan zitten werken. Stevig klemde ik het mapje met de dikke negen tegen me aan.
Terwijl ik langs het huis rende, leek het alsof ik hulpgeroep hoorde. Twijfelend ging ik langzamer lopen, maar ik hoorde niets meer. Ik dacht dat ik me vergist had en voerde mijn tempo weer op. Net op dat moment echter, hoorde ik de stem weer. Het kwam vanuit het huis en klonk nu luid en duidelijk. Schoorvoetend liep ik in de richting van de tuin. Voorzichtig duwde ik het verroeste tuinhek open en sloop verder. Bij het huis aangekomen, gluurde ik door een van de vensters. Ik moest even rondkijken, maar toen zag ik haar, de oude vrouw. Het was niet verwonderlijk dat ik haar niet direct had gezien, want ze lag op de grond. Aarzelend voelde ik aan de deur. Hij was niet afgesloten en ik kon zo naar binnen stappen. Het was donker en kil in de ruimte. Ik huiverde en mijn hart bonsde in mijn keel. Ik wilde net rechtsomkeer maken, toen ik haar stem weer om hulp hoorde smeken. Iemand in nood kon ik niet zomaar hulpeloos achterlaten, wist ik, dus besloot ik moedig om verder op zoek te gaan. Op de tast vond ik nog een deur en opende hem. Ik knipperde een paar keer met mijn ogen en toen zag ik haar liggen, vlak voor mijn voeten.
‘Ik ben gevallen,’ zei de oude dame. Haar stem klonk vriendelijk. ‘Kun je me helpen om weer overeind te komen?’
Ik knikte verlegen en nog wat beduusd. Ik gaf haar een arm en al steunend op mij en op de stoel naast haar, krabbelde ze voorzichtig overeind. Met een plof liet ze zich in de stoel neervallen. ‘Ach kind, dat is me ook wat,’ zei ze. ‘Ik ben zo blij dat jij langs kwam.’
‘Moet ik een dokter voor u halen?’ vroeg ik haar, omdat ik zag dat zij zich flink bezeerd had.
Maar ze schudde haar hoofd. ‘Ik denk dat het wel meevalt. Het is alleen maar mijn voet. Een paar dagen rustig aan en je zult zien dat het dan weer beter gaat.’
Ik haalde een glaasje water voor haar en bleef nog een poosje bij haar zitten. Langzaam voelde ik mijn angst wegzakken en mijn ademhaling weer normaal worden. Nu ik haar even kon observeren, werd ik geraakt door haar bijzondere uitstraling. Ondanks de pijn straalden haar bruine ogen een vastberadenheid uit, die ik nog nooit bij iemand gezien had.
Ik vertelde haar dat ik elke dag langs haar huis liep, al jaren en dat ik haar nog nooit gezien had.
‘Dat weet ik,’ antwoordde ze tot mijn verbazing. ‘Elke dag zag ik jou om klokslag acht uur naar school lopen en om half vier weer terug naar huis gaan. Ik zag je eerst bang en later steeds nieuwsgieriger naar binnen gluren.’
Ik kreeg er een kleur van. Ik hoopte maar dat ze nooit had gemerkt of gehoord dat mijn broer haar een heks noemde.
‘Vandaag kwam het goed van pas,’ vervolgde ze echter rustig. ‘Omdat ik wist dat je nog voorbij moest komen, heb ik iedere minuut om hulp geroepen en daar ben je dan eindelijk.’

Vanaf die dag in november liep ik elke middag even bij haar langs. Haar voet genas snel, maar wat er tussen ons gegroeid was, was niet meer uit te wissen. De eerste tijd vertelde ik haar over de kleine belevenissen van de dag: De plagerijtjes op school, de strenge juf, het vele huiswerk. Maar al gauw vertrouwde ik haar ook mijn diepere hartzaken toe. Ik vertelde haar over mijn verliefdheden, de ruzietjes met mijn vriendinnen, mijn onzekerheden, de woordenwisselingen met mijn ouders en mijn broers. Altijd luisterde ze aandachtig naar mijn tienerproblemen en waar ze kon stond ze me met raad en daad bij. Van haar ontving ik de belangrijkste en liefdevolste les van mij leven. ‘Probeer,’ zo zei ze, ‘van de ander net zoveel te houden als van jezelf. Dat is niet altijd eenvoudig, maar je ontvangt er zoveel voor terug.’ Zo leerde zij mij om mezelf een spiegel voor te houden. Mede daardoor realiseerde ik me een paar maanden later met een schok dat zijzelf bijna nooit aan het woord was.

Toen ik haar de keer daarop beschaamt mijn ontdekking opbiechtte, glimlachte ze en drukte voorzichtig een kus op mijn voorhoofd.
‘Lieve kind, ik popel om je mijn verhaal vertellen. Maar jij moest er klaar voor zijn en ik ook,’ sprak ze raadselachtig. ‘Nu weet ik dat het zover is; dat je van mij houdt en van dit huis. Dat is het grootste geschenk wat ik ooit heb ontvangen. Daarom zal ik je het vertellen. Mijn geheime geschiedenis.’

1945 – Al mopperend liep ik met een grote mand vol wasgoed naar het uiterste puntje van de grote tuin, dat aan de bosrand grensde. Waarom moest die waslijn nou helemaal daar zijn plek hebben? De tuin was groot genoeg. Maar ik wist het antwoord wel: moeder vond het nu eenmaal geen fraai gezicht om de hele dag tegen het wapperende wasgoed aan te kijken. Ik zuchtte en verplaatste de mand van mijn ene heup naar de andere.
Het was weer zoveel wasgoed vandaag. Dat kwam natuurlijk door de twee onderduikers die we in huis hadden. Niet dat ik er verder veel last van had. Ze hadden een eigen plekje en ik zag ze bijna niet. Niemand mocht het weten en niemand wist er van. Moeder vond het belangrijk om wat voor elkaar te betekenen en zeker in tijd van oorlog. En ja, we hadden er ook een geschikt huis voor. Er was ruimte genoeg in ons heerlijke huis en het stond helemaal afgezonderd van het dorp, tegen het bos. Voor het huis en de ramen stonden veel bomen, die het zicht onttrokken aan wat er zich binnen afspeelde.
Behendig knijperde ik de lakens aan de lijn. Het was een zeldzaam mooie voorjaarsdag in maart. Het zonnetje scheen en er stond een heerlijke bries. De was zou op deze manier snel drogen. Toen ik klaar was met mijn karwei, besloot ik om even in het gras te gaan liggen. Ik moest ingedommeld zijn, want ik schrok op door een hoop lawaai en geschreeuw. Het klonk niet goed, helemaal niet goed. Met een angstig vermoeden keek ik richting het erf. Ik kon nog net twee auto’s zien staan en een aantal soldaten, Duitse soldaten. Ik lag tegen de bosrand aan en zo vlug als ik kon rolde ik de veilige beschutting van het bos in. Zachtjes kroop ik op handen en voeten verder. Op de achtergrond kon ik de soldaten nog horen schreeuwen. Zodra ik diep genoeg in het bos was, zette ik het op een lopen. Ik weet niet meer hoelang ik heb gelopen, maar uiteindelijk heb ik me uitgeput op de grond laten vallen. Uren later durfde ik eindelijk naar huis terug te gaan. Mijn ergste vermoeden werd bevestigd. Het hele huis was overhoop gehaald, er stond niets meer op zijn plek. Ook de schuilplaats van de onderduikers was ontdekt. En het ergste van al: er heerste een stilte, een doodse stilte. Eerst heb ik geschreeuwd en gehuild om mijn moeder. Maar al snel begreep ik dat zij er niet meer was, dat ze haar hadden meegenomen. Doodsbang heb ik in een hoekje gezeten. Een tante heeft me uiteindelijk opgehaald. De laatste twee maanden van de oorlog heb ik bij haar in de stad gewoond. Nooit meer heb ik iets van mijn moeder en de twee onderduikers vernomen. Waarschijnlijk zijn ze in één van de vele concentratiekampen om het leven gekomen.
Toen de oorlog voorbij was, begon Nederland met het puinruimen en de wederopbouw. Ook ik moest puinruimen en wederopbouwen, omdat ik wist dat ik verder moest met mijn leven. Ik was inmiddels achttien jaar en besloot om weer naar ons oude huis terug te keren. Dat was moeilijk, want alles daar herinnerde me immers aan haar. Maar het was ook de plaats waar ik me thuis voelde, nergens was ik dichter bij haar.

Ademloos had ik zitten luisteren. De tranen liepen over mijn wangen. Voorzichtig keek ik naar tante Margareth. Het leek wel of zij weer terug in de tijd was. Bewegingsloos staarde ze voor zich uit. Ik stond op en sloeg mijn armen om haar heen. Ze slaakte een diepe zucht. ‘Ik ben er nooit over heen gekomen en er was niemand die naar mijn verhaal wilde luisteren.’
Ik keek haar geschrokken aan. ‘Dat kan toch niet?’ mompelde ik. ‘Er moeten toch heel veel mensen om u heen hebben gestaan?’
Verdrietig schudde ze haar hoofd. ‘Nee, zo eenvoudig was het niet, luister maar, want mijn verhaal is nog niet af.’

1927 – Mijn moeder werkte als dienstmeisje bij een rijke familie en daar ontmoette ze mijn vader, een Duitse zakenman. Ze werden hotel-de-botel verliefd. Toen ze hem vertelde dat ze zwanger was, raakte hij in paniek. Het bleek dat hij al getrouwd was en vader van twee kinderen in Duitsland. Hij heeft mijn moeder een som geld gegeven en dit huis voor haar gekocht. Daarna heeft ze nooit meer iets van hem gehoord.
In dit huis was het ook dat ik geboren ben. Het was geen eenvoudige tijd. Een moeder en kind zonder man werden met de nek aangekeken. Zo ging het ook bij ons, iedereen scheen te weten dat mijn vader een Duitser was en dat hij mijn moeder had laten zitten. Maar in plaats van haar te helpen, werd ze geminacht door de dorpelingen.
Mijn moeder werkte hard voor de kost. Ik groeide eenzaam op, had geen vriendinnetjes en niemand in het dorp bekommerde zich echt om ons. Toch waren we gelukkig op onze manier, hier in het oude huis aan de rand van het bos.
Totdat de oorlog uitbrak. Mijn moeder had een groot hart. Het was haar motto om van de ander net zoveel te houden als van zichzelf, ondanks alles wat haar was aangedaan. Daarom is zij natuurlijk ook in het verzet terecht gekomen. We hadden altijd wel een paar onderduikers in huis. Zo ook op die fatale dag.

Tante Margareth schraapte haar keel. Ik stond op. ‘Zal ik een kopje thee halen?’ bood ik aan. ‘Dan kunnen we even pauzeren.’
‘Ja, kind, dat is goed,’ antwoordde ze schor.
Toen ik terugkwam met de thee, zag ik haar weer afwezig uit het raam staren. Hoe was het mogelijk dat ze dit met niemand had kunnen delen. Zwijgend dronken we onze kop thee op. Ik keek haar vragend aan. ‘Gaat het, tante Margareth? Wilt u nog verder vertellen, of breekt het u teveel op?’
Ze glimlachte flauwtjes naar me.
‘Je bent nog zo jong, maar je kunt goed luisteren. Ik wil je nu alles vertellen,’ sprak ze dapper.

Ik dacht dat de dorpelingen na dit drama wel anders over mijn moeder en mij zouden denken. Verzetsmensen werden immers – zeer terecht – op een voetstuk geplaatst? Maar mijn moeders naam werd niet gezuiverd. Het tegendeel bleek waar. Al gauw deed een hardnekkig gerucht de rondte. Volgens zeggen zou mijn moeder in de oorlog ‘fout’ zijn geweest en weer hebben aangepapt met een Duitser. Zodra zij zag dat de oorlog op zijn einde liep, zou zij haard, huis en zelfs kind in de steek hebben gelaten en met haar Duitse minnaar gevlucht zijn naar Duitsland. Tja, het bloed kruipt, waar het niet gaan kan, zo sprak men.
Zo werd mijn lieve, dappere moeder nog verder de grond ingetrapt…
Terwijl iedereen de bevrijding aan het vieren was, heb ik hier wezenloos in huis rondgedoold. Een aantal keer heb ik geprobeerd om de waarheid te vertellen. Maar ik werd niet geloofd. Sterker nog, ik werd zelfs bespot. Ik had immers zelf ook Duits bloed, en Duitsers zijn nu eenmaal niet te vertrouwen, zo zei men onder andere.
Vanaf die tijd heb ik mezelf steeds meer opgesloten in dit huis. Het huis was mijn redding, de enige plek waar ik me veilig en beschut voelde. Afgesloten van de wereld, aan de nieuwsgierige blikken van derden onttrokken door de troostende armen van de bomen. Zelf heb ik daarom nooit veel voor een ander kunnen betekenen, maar ik wist dat ik jou mijn moeders motto wilde doorgeven. Je bent een goed kind.
En nu is het bijna veertig jaar later. De oorlog en al de slachtoffers zijn voor een groot deel in het vergeetboek geraakt. Natuurlijk kent men de feiten, de vele doden die er gevallen zijn, de verhalen van de helden. Gelukkig is men zich er van bewust, dat dit nooit had mogen gebeuren en ook nooit meer mag gebeuren. Terecht vieren we ieder jaar nog dodenherdenking en bevrijding. Maar kent men ook de verhalen van de slachtoffers van het verborgen verdriet?

2013 – Een rilling kruipt over mijn rug. Nog steeds als ik aan haar verhaal terugdenk. Het is alweer meer dan dertig jaar geleden dat ze mij haar geschiedenis vertelde.
Lieve tante Margareth. Ik mis haar nog elke dag, al is het al vijftien jaar geleden dat ze is overleden.
Ik zit op de schommelbank die we deze week in de tuin hebben neergezet. Zuchtend kijk ik naar het oude huis. Het huis van tante Margareth. Na haar dood ben ik er met mijn gezin gaan wonen, zoals haar wens was. Aan de buitenkant hebben we er niet veel aan opgeknapt. Mijn man wilde wat graag de snoeischaar in de bomen om het huis zetten, maar ik weigerde pertinent daar toestemming voor te geven. De bomen zijn met het huis vergroeid. Onlosmakelijk. Ik heb hem geleerd om er met andere ogen naar te kijken, hem geleerd in de jaargetijden de karaktertrekken van het huis te zien.

‘Mam,’ haalt mijn 12-jarige dochter me uit mijn overpeinzing, terwijl ze naast me neerploft op de grote schommelbank. ‘Wat een heerlijke bank is dit en wat heb je hiervandaan een mooi uitzicht op ons huis. Het is eigenlijk een raar huis met al die takken, maar ik ben tegelijk zo trots dat wij hier wonen. Ik zou nooit ergens anders heen willen verhuizen.’
‘Ik ook niet.’ Mijn stem klinkt gesmoord en stiekem pink ik een traan weg. ‘Ik houd van dit oude huis.’
‘En ik ook en ook van jullie,’ fluistert ze verlegen. ‘Toch vraag ik me weleens af waarom je het huis zo genoemd hebt.’ Ze wijst naar het bordje aan de muur, dat net te zien is tussen een paar wilde takken:

“Verborgen Thuis”

Ik glimlach naar haar, terwijl ik een haarlok uit haar gezicht strijk. ‘Jij moest er klaar voor zijn en ik ook. Nu weet ik dat het zover is. Het is een lang verhaal, Margareth, maar ik popel om het je te vertellen.’

Vind je dit leuk... deel dit
Share on Facebook
Facebook
0Pin on Pinterest
Pinterest
0Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email

7 Comments

  1. marian warbout-oosterlee schreef:

    Hoi Irma, afgelopen maandag werden we door een zangmaatje verrast met een opening van jouw hand.
    We wisten helemaal niet dat je zo beroemd bent, leuk hoor.
    We gaan je zeker volgen.

    groetjes, ook namens je neef Wim
    Marian

  2. Ingrid schreef:

    Hoi Irma, wat een mooi ontroerend verhaal weer. Ik heb er (wederom!!) van genoten. Groetjes, Ingrid

  3. Agnes schreef:

    Ik zou wel willen dat er recht gedaan werd aan tante Margareth. Ga op onderzoek uit en laat de waarheid aan het licht komen. Dit verhaal is zo mooi dat roept om een vervolg.!!

  4. desiree felen schreef:

    Wow Irma, wat enorm leuk om een keer zo een lang verhaal van je te lezen. Hartverwarmend. Erg mooi.
    Jammer dat je niet hebt gewonnen maar met zo’n verhaal op je site doe je velen een plezier!

  5. Elles Jansen schreef:

    Wat een mooi verhaal Irma. Dat staat als een huis. Jammer dat je niet gewonnen hebt. Voor mij wel hoor. Ik lees je graag. Gewoon verder schrijven x

  6. Alma Schultz schreef:

    De acteur heeft een speciaal ontworpen koffer bij zich vol inspirerende attributen, boeken, liefdesbrieven, gedichtjes, recepten, muziekfragmenten, grapjes, spelletjes en korte verhalen. Aan de hand van de voorleeskoffer ontstaat een levendige voorleessessie. is een prachtig doe-boek gemaakt. Elke deelnemer ontvangt dit boek om in te schrijven, te plakken en om uw meest bijzondere verborgen schatten in kwijt te kunnen.Na de voorleessesie gaan alle deelnemers hiermee aan de slag, onder begeleiding van vaste vrijwilliger van BedtimeStories.

    • Irma schreef:

      Wat een prachtig initiatief! Ik heb gekeken op de website van bedtimestories en ben onder de indruk van wat er bereikt wordt met het voorlezen van een verhaal aan óuderen, dementen bejaarden en aan zieke kinderen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.