Zaterdagavond
29 juli 2017
Van de vlooienmarkt
4 augustus 2017

Van verre zie ik haar al aankomen: het kleine, blonde meisje. Mijn ogen worden als vanzelf naar haar toegetrokken. Ik schat haar op een jaar of zeven, misschien acht. Ongeveer net zo oud als Roos.

Schelpen zoeken

Onder het lopen tuurt ze naar de grond en af en toe stopt ze om te bukken. Dan raapt ze iets op. Na een grondige inspectie werpt ze het nonchalant weer terug in het zand.
Vast een schelpenliefhebstertje. Waarschijnlijk zoekt ze een bijzonder exemplaar. Ze is in ieder geval niet snel tevreden.
Ik glimlach weemoedig. Is het nog maar een jaar geleden dat Roos, mijn schelpenmeisje, net als dit meisje hier op zoek was en met haar blote voeten door de branding waadde? Ach, Roosje…

Een kleine zeemeermin

Langzaam maar zeker nadert het meisje mijn strandtentje.
‘Hallo, mevrouw,’ begroet ze me aan mijn toonbank.
Ze gebaart weids naar de zee achter haar: ‘Ik kom net uit Engeland.’
Verbaasd kijk ik haar aan. ‘Dat is een eind weg,’ zeg ik en vertederd door haar ondeugende uitstraling vraag ik haar of ze een ijsje lust.
Ze knikt gretig. Ik kan aan haar ogen zien, dat dat nu net haar bedoeling is.
‘Maar ik heb geen geld,’ zegt ze en haalt haar schouders op. ‘Zeemeerminnen hebben nooit geld.’
‘Ach nee, natuurlijk,’ speel ik haar spelletje mee, ‘zeemeerminnen leven van de wind, de zee en de liefde.’
Ze knikt ernstig. ‘Zo is het.’
‘En jij bent vanmorgen vroeg naar de kust gekomen?’
‘Ja, ik wilde zo graag naar het strand. Er zijn hier heel mooie schelpen te vinden en soms liggen er ook wel haaientanden.’
Ik druk haar een ijsje in haar hand.
Met voldoening kijk ik hoe ze voorzichtig het papiertje eraf wikkelt.
‘Lekker, een Raketje,’ juicht ze.

De foto

Ze leunt nog wat verder over de toonbank.
‘Ik heb gisteren van schelpen een kettinkje gemaakt met een haaientand in het midden. Nu wil ik een armbandje rijgen,’ babbelt het meisje verder, terwijl ze aan haar ijsje likt.
Door de komst van dit meisje is zomaar het zonnetje weer door de donkere wolken gaan schijnen. Ze ontwapent mij.
‘Wie is dat meisje?’ vraagt ze, wijzend naar de foto achter me op het tafeltje.
Ik pak het lijstje op en streel zacht met mijn vinger over het glas. ‘Dit is mijn kleindochtertje. Ze heet Rozemarie,’ antwoord ik.
‘Waarom ligt ze in bed?’
‘Roos is erg ziek.’
Stiekem veeg ik de traan, die langs mijn wang rolt, weg.
Het wordt druk bij mijn tentje. Haastig zet ik het fotolijstje weer terug op de tafel om de klanten van dienst te zijn.
Als de rust voor even is teruggekeerd, zie ik tot mijn spijt dat het kleine blonde meisje is verdwenen. Maar veel tijd om aan haar te denken wordt me niet gegund…

Gejokt

‘Hier is het, pap,’ hoor ik een bekend kinderstemmetje aan het eind van de middag.
Daar staat het meisje van vanmorgen weer bij mijn strandtent. Ze staart verlegen naar de grond.

‘Dag mevrouw,’ bromt een zware mannenstem. ‘Ik ben de vader van Mirthe.’
Hij knikt naar het meisje en spoort haar aan: ‘Nou, zeg het maar, Mirthe.’
‘Hier is het geld voor het ijsje,’ zegt ze bedeesd.
‘Maar dat hoeft toch niet,’ zeg ik tegen haar vader.
Tegen het meisje zeg ik: ‘Zeemeerminnen hebben toch geen geld? Ze leven van de wind, de zee en de liefde. Daarom heb ik je een ijsje gegeven. Wat je gekregen hebt, hoef je niet te betalen. Dat is nou leven van de wind.’
Tot mijn verbazing krijgt ze een kleur en kijkt snel weer naar de grond.
‘Maar eigenlijk ben ik helemaal geen zeemeermin,’ hoor ik haar zachtjes zeggen.
‘Nee?’ roep ik. ‘Wat jammer nou. Ik was juist zo trots dat ik een echte zeemeermin had gesproken.’
Ik vang haar blik en lach naar haar.
‘Ik heb een beetje gejokt. Maar niet dat ik uit de zee kwam.’ Ze wijst naar de kustlijn. ‘Ziet u dat bootje daar? Die is van mijn vader, we hadden een heel eind gevaren. Ik had heel erge dorst en papa had het zo druk met zijn boot.’
‘Weet je wat? Ik geef het geld weer terug aan je vader. Dan kun je nog eens een ijsje kopen.’

Op het strand schijnt de zon altijd

Ze lacht alweer. ‘Dus u bent niet boos?’
‘Nee, natuurlijk ben ik niet boos. Jij liet het zonnetje schijnen.’
‘Dat deed ik niet, hoor,’ beweert ze eigenwijs, ‘op het strand schijnt de zon toch altijd?’
We lachen alle drie. Ik geef haar vader een samenzweerderig knipoogje.
‘Maar nu moeten we echt gaan, Mirthe, we moeten hoognodig naar huis.’
‘Dag,’ zingt Mirthe terwijl ze me snel nog een papiertje in mijn hand drukt. ‘Dit is voor Roos.’
In gedachten verzonken staar ik haar na, mijn kleine zeemeermin. Ze huppelt mijn leven weer uit, haar staartje wapperend achter haar.
Ik kijk net zo lang totdat het bootje achter de horizon is verdwenen.

Het cadeautje

Dan voel ik het propje in mijn hand. Ik herken de kleuren; het is het verpakkingspapiertje van een Raketje.
Er rolt iets uit het papiertje. Voorzichtig raap ik het van de grond.
Ik slik als ik de prachtigste schelpjes in mijn handen houd, samen geregen tot een bijzonder mooi kettinkje met in het midden een haaientand.
‘Voor Roos,’ had Mirthe gezegd.
Ik slik nog eens. Ik kan bijna niet wachten om het haar te geven en vooral niet om haar het verhaal van dit kettinkje te vertellen.
Voorzichtig druk ik het tegen mijn hart. Het kettinkje, met zoveel liefde gemaakt door een kleine zeemeermin, die het op een zonnige dag op het strand bracht voor een ziek schelpenmeisje.

Vind je dit leuk... deel dit
Share on Facebook1Share on Google+0Pin on Pinterest1Tweet about this on TwitterEmail this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *